vorige pagina

 

Want blijven is nergens
door Y. Né, 8 mei 2015

Vreemd is het wel, de aarde niet meer te bewonen,
zich van nauwelijks geleerde gewoontes niet meer te bedienen,
rozen, en andere tekens vervuld van belofte
niet langer de zin van een menselijke toekomst te geven;
dat wat men was in oneindig behoedzame handen
niet meer te zijn; van zijn naam zelfs
zich te ontdoen als van een gebroken stuk speelgoed.
Vreemd, zijn wensen niet verder te wensen. Vreemd,
al wat verband hield in de ruimte ontbonden te zien.
Doodzijn is moeizaam en vol achterstalligheid,
tot men geleidelijk het eeuwige begint te bespeuren. –
Levenden echter maken de fout van het onderscheid. Engelen (zegt men)
weten vaak niet of zij onder de doden verkeren,
of met de levenden. De eeuwige stroming
voert in beide rijken alle tijden des levens naar een hogere eenheid.


Dit gedicht van Rainer Maria Rilke, in de mooie Nederlandse vertaling van W.J.M. Bronzwaer, spreekt over verschillende dimensies die in deze tentoonstelling van Jan Wessendorp en Marcel van Zijp een rol spelen. Leven, dood, tijdelijkheid, eeuwigheid, de tastbare dingen, de namen, de muze, de almaar doorgaande stromen in de tijd, de ruimte en het leven.

De aangehaalde dichtregels van Rilke staan in zijn eerste elegie uit zijn ‘Elegieën van Duino', waarin hij zijn diepste levens- en wereldbeschouwing verwoordt. Marcel van Zijp heeft de regels – de oorspronkelijke Duitse tekst – in natuursteen uitgehakt. Een tekst die doorloopt over het halve ei dat op de horizontale tekstplaten is geplaatst. Het ei, oorsprong, schil voor die oorsprong. Het ei onderbreekt niet die stroom, maar is wel het symbool voor de oorsprong van leven en zelfs van het heelal. Leven noch dood onderbreken die stroom, zegt de dichter Rilke.

Merktekens
Het woord symbool is gevallen. Symboolbeelden. We zien ze hier. In grote aantallen. Stel niet de vraag: ‘wat betekenen dit en dat symbool dan?' Laat het inwerken en hun uitwerking op u maakt zich kenbaar. Die uitwerking staat niet vast. Het gebeelde straalt zijn betekenissen uit. Zet slechts uw zintuigen aan. Open de ogen waarmee uw lichaam bedekt is. We kijken immers niet alleen met onze ogen. We kijken met ons hele wezen. En luisteren tegelijkertijd wat dit met ons doet.

De tentoonstelling zelf is een gedenkteken en bevat vele gedenktekens. Allereerst is deze expositie een viering, feest en herinnering aan 75 jaar kunstenaarschap – is hij immers niet als kunstenaar geboren? – van Jan Wessendorp. Heel bescheiden noemt hij zijn oeuvre ‘kruimels langs de weg'. Zo heet ook het prachtige boek dat een paar dagen geleden verscheen en hier te koop ligt. Naar het sprookje van Hans en Grietje. Weggejaagd door hun ouders komen zij terecht in een donker bos. Hans strooit kruimels en kiezels waarmee hij later de weg naar huis hoopt terug te vinden. In dat donkere bos, in die chaos, woont de heks die hen verleidt met haar huis van snoep. Het verhaal brengt dat van Adam en Eva in herinnering, over hun verdrijving uit het Paradijs. Het spreekt over de weg, de omzwerving die ieder mens moet gaan. Jan toont die weg aan de hand van zijn schilderijen, de merktekens langs die weg. Al zijn die merktekens materiële uitingen, de weg is de weg naar binnen. Zij spreken van hindernissen onderweg, van tegenstellingen die met elkaar verzoend moeten worden, van vallen en opstaan, van liefde en verdriet.

In abstracte zin verbeeldt ook Marcel van Zijp die weg. In de uitgehakte teksten roept hij beelden op van die weg die reflecteren op puurheid en geboorte, hergeboorte, verstarring, verval. In sculpturen die geen echt einde of begin hebben. Ook Marcel gedenkt. Talloze namen van overledenen, op individuele grafmonumenten en op de grote gedenkplaten, het vissersnamenmonument waarvoor hij 1350 namen van verdronken vissers uithakte. En zijn droom is het – nog niet uitgevoerd – een monument te maken ‘Voor de vergeten mens' – omdat een persoonlijk gedenkteken helaas niet iedereen is gegund. Daarop moet een tekst komen te staan uit de ‘Winterreise' van Schubert, ‘Erstarrung' vertaald door Jan Rot: ‘Waar hebben we gezeten, waar hebben we gestaan, ik ben geen plek vergeten, maar wie wijst me ze aan'.

Ook voor Jan zijn teksten, waaronder zijn eigen gedichten, belangrijk. Ze behoeden de herinnering aan plotselinge inzichten, die zo snel verloren gaan. Daartoe moeten ze worden vastgelegd. Want steeds opnieuw is daar het ‘donkere bos'. Het is maar beter dat je daar vertoeft met een goede tekst dicht bij de hand.

Duisternis
Het donkere bos, donkertes. Daar toeven onze eigen demonen die we onder ogen dienen te zien. Graag zeg ik hier meteen iets over de miskenning van donkere kleuren en schaduwen in onze westerse cultuur. Wellicht associëren wij duisternis direct met ‘het enge bos' vol ‘enge dieren' die wij liever niet zien. Dat betekent inderdaad, letterlijk, een ‘verenging' van onze ervaringswereld. Bedenk dat in het traditionele Japan – dit raakt natuurlijk meer en meer overwoekerd door westerse gebruiken en opvattingen – het rijk van de schaduw, een bijzondere waarde heeft in het interieur. Overal zwarte hoeken, vlakken en zwartgelakte objecten. In Japan hangt schoonheid af van de verscheidenheid aan schaduwen, afwisselend zware en lichte schaduwen, donkere oppervlakken die mat of glanzend zijn. Daaruit doemen dan lichte plekken op. Schaduwen zijn vol suggestie en geheim, vermoedens over niet-weten en niet-zijn. Als we naar het werk van Jan kijken, lijkt hij zich daar heel goed van bewust. Dat we ongevoelig zijn geworden voor het geheimzinnige rijk van schaduwen en duisternis is veroorzaakt door het kwaad van onze overdreven verlichting. Omdat we de wereld goed verlichten denken we ook maar meteen dat we alles wat we zien kennen en verklaard hebben. Maar u weet toch wel, dat wij maar 4% kennen van de materie in het universum die de wetenschap beschrijft? 96% is de wetenschap volkomen onbekend. Het is goed om daarbij stil te staan, als u in deze tentoonstelling rondloopt. En dan niet bang worden, hoor. Want wij allen delen deze onwetendheid. Bedenk dat juist dit, dit universele raadsel, niet het niet-weten van de dwaas, maar het niet-weten dat oprecht wordt toegegeven, dat dit onze verbeelding voedt, ons respect en onze verwondering. In wezen is er niets veranderd sinds wij de grotten bewoonden en we de wereld om ons heen oneindig groot en onbekend, als geheimvol en gevaarlijk ervaarden. Wij bevinden ons in de eeuwig doorgaande spiraal. De spiralende weg die we afleggen heeft een richting, maar passeert, aldoor op een ander niveau steeds dezelfde aspecten. Kunst wordt dus gevoed door onze weg door dit oneindige raadsel. Dan weer licht iets op of wij werpen zelf een licht op iets, worden ons bewust van een aspect en dan weer bevinden we ons in het geheimvolle donker. Dit zien we als we naar de schilderijen van Jan kijken, maar ook als we naar de sculpturen van Marcel kijken. Een beeldhouwwerk zonder schaduwkanten bestaat eenvoudig niet. Hoewel we in staat zouden zijn een werk zo te belichten dat het vlak wordt en zijn ruimtelijkheid wordt vernietigd. Wat ik wil zeggen: liefde voor het rijk van de schaduwen druist in tegen onze hang naar rationele verklaringen voor de fenomenen.

De dichter Rilke constateert in zijn eerste elegie van Duino, dat […] ‘zelfs de vindingrijke dieren bespeuren dat wij niet erg betrouwbaar thuis zijn in onze verklaarde wereld'. En dat hoeft ook helemaal niet. We zouden domme en vlakke mensen zijn en zonder een innerlijk leven als we ons voortdurend in de comfortzone zouden bevinden met daarin louter gelijk verlichte, geruststellende vlakken en objecten.

Uitnodiging
Ja, en daar staan ze dan, daar hangen ze, daar liggen ze, al deze werken die zijn als poorten. Als we daarin binnengaan, gaan we bij onszelf naar binnen. Daar hoef je niet moeilijk voor te doen, het gebeurt gewoon. Elk goed kunstwerk is een doorgang, een uitnodiging daartoe. U bent gast en gaat door poorten die deze twee kunstenaars voor u in elk werk afzonderlijk bereidden. Door hun poorten betreedt u de bijzondere verblijfplaatsen, intieme interieurs of rustig uitzicht met bespiegelende gedachten.

De uiterlijk totaal verschillende werken van Jan en Marcel hebben een huid, een oppervlak dat intens is bewerkt. Bij beiden gaat de uitvoering van een werk gepaard met meesterschap, meester worden, meester zijn over de materie. Nadrukkelijk materie, dat zijn deze werken. Er wordt gehakt en gesneden, de huid zal en moet zijn geheimen daaronder prijsgeven. Zoals Michelangelo zijn slaven bevrijdde uit de ruwe steen, maar niet geheel, en juist dat maakt ze zo aangrijpend. Ook Jan snijdt, krast, bouwt ruimtelijke lagen op, dekt af, creëert door te vernietigen. Jan wil uit zijn schilderij breken door middel van ruimtelijke lijsten die het schilderij deels bedekken. Hij benadrukt dat het werk zelf een materiële werkelijkheid is. Marcel breekt, frijnt en splijt de steen zoals het vakkundige beeldhouwers betaamt. Hij houdt de ruwheid in ere en polijst vormen of delen van vormen tot ze op de millimeter zijn wat hij wenst. Het neemt vaak maanden in beslag. Zijn stenen kunnen hem niet hard genoeg zijn. Graniet en basalt zijn z'n lievelingssteensoorten. Bij beide kunstenaars huist de geest in nadrukkelijk aanwezige materie. De geest is er al, overal, in ons, buiten ons. Maar we willen haar zien en aanraken. We willen het voelen. We willen erdoor geroepen worden. Aha! roepen we dan.

Een beeld is ineens een bevroren moment van doorbrekend inzicht bij de kijker.

‘Nee,' zegt Jan, ‘je mag er niet naar streven uit begeerte of ijdelheid, dat kan niet, werkt niet, je moet niet zelf iets willen betekenen.'

Waarschijnlijk werd om die reden van de aloude religieuze icoon gezegd, dat deze niet door mensenhand was aangeraakt. God had de schildershand geleid.

Luisteren
De geest die uit de werken van Jan spreekt is die van deze iconen uit de oosterse orthodoxie of de al veel meer wereldse schilderijen uit de renaissance. Uit de materie gloeien de gezichten, de portretten, vaak zelfportretten op. Hij streeft een ‘zuivere houding' na, vrij van werelds streven en eigenbelang, vergelijkbaar met de houding van de oude iconenschilders.

‘Schoonheid is wat de toeschouwer doet stilvallen,' zegt Marcel. ‘Eerst maak ik dat zelf als maker mee, daar ben ik naar op zoek. Noem het zen, noem het Japans, dat maakt me niet uit.' Het werken daaraan is meditatief, maakt muziek, de beitel op de steen, steeds net iets anders.

‘Theorie over schilderen kan verschrikkelijk tegen je werken', zegt Jan. ‘Je kunt beter leren luisteren naar je ‘engel' of hoe je die stem of impuls ook wilt noemen. Maar je moet daarvoor wel ruimte en stilte in jezelf creëren.'

Bij Marcel zie ik iets vergelijkbaars. De schitterende titel van het werk ‘Omdat de wind zich nooit vergist' spreekt van de wind die ons daarheen brengt waar we moeten zijn. Het zaad van de paardenbloem aan zijn parachute. Is het toeval dat Jan deze pluis met zaad jaren geleden in hout heeft uitgevoerd? Het gaat over de wind die mensen inspireert, beweegt, duwt en doet landen. De wind waait altijd in de juiste richting. Daarbuiten zijn er geen richtingen. Dus maak je geen zorgen. Je ruikt waar je moet zijn, omdat de wind jou de juiste geuren, ingevingen brengt. Dit is wel maanden hakken geweest. Deze tekst. Heel precies. De volmaakt ronde schijf is een wiel met opliggende tekst in spiegelbeeld, die al rollende precies in de uitgekapte diepten van de tekst in positief valt in de onderliggende stenen platen. Poëzie en muziek inspireren Marcel.

Blauwdruk
De figuren van Jan staan alleen, met tweeën, hooguit met drieën in het vlak, omgeven door geschilderde of gebeeldhouwde omlijstingen, door landschappen en symbolen: wielen, ogen, zonnen, energiecentra, vegetatie, ladders, monumentale arceringen als reusachtige vingerafdrukken, als zelfstandig geworden arceringen van grafici uit de renaissance en de linodrukken die Jan ook maakte. Ik zie vormen als lichaamsdelen die doen denken aan de ex voto's die werden geofferd aan God of een heilige als dank voor een verkregen gunst. Ex voto, ‘krachtens een gelofte', is dat niet prachtig? ‘Krachtens een gelofte'. Zijn we niet allemaal hier op de wereld om ‘een gelofte' waar te maken, die we al in ons dragen als we worden geboren? Jan noemt dit de ‘blauwdruk' en dat hij elk moment van zijn leeftijd uitvoering wil geven aan dit plan dat echt bij hem hoort en dat in hem verborgen ligt. Ik meen in de verdichte achtergronden met verzadigde kleuren zijn Indonesische achtergrond te zien. De associatie is voor mijn rekening. Jan heeft daar nooit eerder aan gedacht, zegt hij. Wellicht is dit aspect verborgen in zijn blauwdruk en is het er altijd al geweest. Ik zie figuren achter voorhangen van huid, vlees en abstracte structuren. Zij zijn als Javaanse dansers, met hun slanke ledematen en elegante houdingen. Ook de zittende figuren. Ze doen denken aan het verfijnde Indonesische houtsnijwerk. Geslachtsorganen en dierfiguren staan voor de dierlijke kant in de mens, de onbewuste mens, zijn instinct, onlosmakelijk met ons verbonden.

Jan gaat al werkende op zoek naar het plan. Marcel maakt voor hij begint een gedetailleerd uitgewerkt plan. Zijn feest der ontwikkeling, uitrolling, volgt een ander procedé. Kijk naar zijn stenen muziekinstrument, zijn ‘aspidium filixmas' met zijn voluut, de krul aan de hals van de cello. De voluut wordt wel gezien als de handtekening van de vioolbouwer. Marcel geeft er een heel andere draai aan en geeft zijn sculptuur de naam van een varen, de aspidium filixmas, een mannelijke varen met schildvormige aangehechte dekvliesjes. Dat u dit maar weet. De voluut is de spiraalvorm die je vindt aan het Ionische zuilkapiteel, van het Latijnse werkwoord ‘voluta' dat draaien, wentelen betekent en zozeer met ons leven én onze gereedschappen verbonden.

Instrumenten
‘Om het instrumentarium mag het ook niet gaan', zegt Jan. ‘Het is belangrijk maar mag alleen de inhoud van het werk dienen en niet zijn eigen weg gaan, los daarvan.' Instrumenten, daartoe rekent hij ook handen, voeten en geslachtsorganen. Het zijn de uitvoerders van taken. Wat de uitvoering van het kunstwerk betreft, zegt Jan: ‘Als je iets met minder kan zeggen, zeg het dan ook met minder. Etaleer niet je kunnen.' Hij volgt hierin zijn inspiratiebron Bô Yin Râ, de geestelijke naam van de Duitse schilder Joseph Anton Schneiderfranken, tevens schrijver van talloze ethisch-religieuze geschriften. De werken van Jan Wessendorp zijn aards. Je ziet, voelt bijvoorbeeld de invloed van Vincent van Gogh die in zijn zeer pasteus opgebrachte verf en aardse thematiek trouwens nooit zijn religieuze achtergrond heeft verloochend. Voor Van Gogh waren landschappen, bomen, aarde en sterrenhemel ‘symboolfiguren', spelers in het grote universele geheel dat in en rondom ons is.

Marcel bewondert de van oorsprong Roemeense beeldhouwer Brancusi. Wie kent niet zijn ei en eindeloze zuilen? Brancusi zei iets vergelijksbaars: ‘In de kunst is eenvoud geen doel, maar men komt door het benaderen van de ware betekenis van de dingen, ondanks zichzelf, tot eenvoud.' In een goed werk is het overtollige geëlimineerd. De zuil van Marcel, getiteld ‘Blue Heavens Boogie' is als een muziekstuk met zijn ritmische nerven, kerven die zijn ingeschilderd met ultramarijn, kleur van het oneindig wijkende, symbool van puurheid, en oneindigheid. De versie van 4 meter hoog staat momenteel in Alblasserdam op de kade langs de rivier en symboliseert de verbinding tussen hemel en aarde.


Aha-erlebnis
Een goed kunstwerk is geen fetisj van het kunnen en geen fetisj van het gevoel. Er is geen fetisj. Er zijn het gevecht en het loflied, de herinnering aan wat was en het ideaal dat daagt aan de horizon.

Een kunstwerk spreekt alsof het een levend wezen is. Laten wij, kijkers, ernaar luisteren. ‘Stemmen, stemmen. Luister, mijn hart, zoals eerder slechts heiligen luisterden', schreef Rilke in zijn eerste elegie van Duino.

Luister en maakt het óók mee, het aha-erlebnis. Achter elke term staat wel een professor, de aha-erlebnis is afkomstig van de psycholoog Karl Bühler, bedenker van een taaltheorie over zenden en ontvangen van feiten. Het aha-erlebnis dat de makers, Jan én Marcel, hadden toen ze hun kunstwerken voltooiden, is een uiterst zeldzame, voortreffelijke, zo niet verrukkelijke ervaring. Ook als het soms schuurde als schuurpapier. Ook als het maar kort duurde en alweer een volgend werkstuk aan hen trok.

Zenden en ontvangen. Huid en hart zijn niet voor niets voorzien van receptoren. Mens zijn is ontvangstcentrum zijn om de uiteenlopende aspecten van het menselijke leven te ervaren. In alle nuances van schaduwen en licht. Ervaren dát we leven. Beklim maar NIET de Kilimanjaro. Duik in plaats daarvan in het kunstwerk dat u aanschouwt. En weet dan: ‘Aha! Zó kan het dus ook!'

De cirkel van het geheimvolle begin naar het aha en daar begint het opnieuw, het proces, de strijd gaat voort. Spiraal, slang, wiel, de lijst. Het menselijk lichaam zelf is een zich sluitende cirkel wanneer de mens zich inkeert. De slang die zichzelf in de staart bijt, de Ouroboros. Eeuwige cirkel.

Abraham – in het bijbelboek Genesis – de Bijbel staat vol met symboolfiguren – Abraham kreeg van God maar één bevel: Ga! En hij ging.

Deze fabriekshal – waar ooit suiker werd geproduceerd, we denken natuurlijk meteen aan de begeerte, het snoephuis van de heks – is nu bezield door de geest van dit GAAN.

Dit zeer expressieve, doorwerkte, doorworstelde, doorleefde GAAN.

‘Want blijven is nergens' zegt Rilke eveneens in zijn eerste elegie.

 

Dus, geacht publiek, ga en geniet!

 

<beginpagina