vorige pagina

 

Bô Yin Râ
Lezing van Arend Knibbe op verzoek van Jan Wessendorp in het kader van zijn expositie in de Zeeland te Bergen op Zoom, 10 mei 2015

Dames en heren,

Ik ben wat verbaasd me hier aan te treffen om een verhaal te houden over Bô Yin Râ. ( BYR )

In mijn dagelijkse leven spreek ik nooit over deze man. Mijn vrienden val ik niet lastig met de waarde die hij voor mij heeft. Ze zien zijn boeken bij me liggen en als ze er niet naar vragen dan laat ik het zo. Iedere BYR-lezer heeft hiermee een andere manier van omgaan. Naar ik begrepen heb is Jan Wessendorp heel open over zijn verbondenheid met het werk van BYR en maakt duidelijk dat het voor hem een belangrijke inspiratiebron is. Zulks tegen huidige codes, waarbij de inspiratie niet aan een ander of iets anders, maar alleen aan jezelf ontleend mag worden. Een beetje eigenwijze man dus, onze Jan.

Dat deze openheid op de duur nieuwsgierig maakt, spreekt vanzelf. En ik vind het dan ook een hele eer om hier in uw gezelschap iets te mogen zeggen over leven en leer van deze ‘levensmeester', zoals Jan hem wenst te noemen. Ik kan me in deze omschrijving helemaal vinden.

‘Levensmeester' houdt in dat ik u vanmiddag met religieuze noties lastig val. Het is Zondag, dus vanouds de bij Christenen geheiligde opstandingsdag, waarop ze bij elkaar komen en kwamen. Een mooie dag om aan religieuze noties te wijden. Om mogelijke misverstanden bij voorbaat te vermijden, bij religie denkt iedereen al gauw aan waarheid of aan wat god allemaal zou willen. Maar ik heb naar ik hoop niets van een man die probeert zieltjes te winnen, of die probeert u van mijn gelijk of het gelijk van BYR te overtuigen. Ik voel me ook niet gekwetst als u na afloop meedeelt dat zulke dwaasheid en wanen aan u niet besteed zijn. Ik ben zelf eigenlijk nog steeds verbaasd dat deze man BYR mij overtuigt, terwijl ik tegelijkertijd een zeer kritische intellectueel ben.

Maar allereerst, wie was deze man.

Hij is geboren in Duitsland, in Aschaffenburg bij Frankfurt a.d. Main, en kreeg de naam Joseph Anton met als familienaam Schneider, een naam die hij later veranderde in Schneiderfranken. Dus zijn burgerlijke naam was Joseph Anton Schneiderfranken. Hij leefde van 1876 tot 1943 en is dus 67 jaar geworden, heeft de tijd van twee wereldoorlogen meegemaakt en omwentelingen op praktisch alle gebieden. Techniek, kunst, politiek en alle denken ontwikkelden zich in sneltreinvaart. En vandaag de dag gaan we er nog steeds mee door. Het valt niet te voorzien hoe de wereld, onze mensenwereld over bijvoorbeeld 50 jaar zal functioneren.

Joseph Anton Schneiderfranken. Zijn ouders behoorden tot de solide maar arme burgerij. Joseph maakte de lagere school af en wist met zekerheid dat hij kunstschilder wilde worden. Dat was ploeteren, want hij was geen natuurtalent. Hij bezocht diverse kunstacademies en was thuis in de kunstkringen van rond 1900, dus nog voor het eerste abstracte werk ontstond. Zelf maakte hij nogal melodramatisch symbolistisch werk.

Dan, omstreeks 1905, hij is dan zo'n 30 jaar oud, maakt hij kennis met een oosters aandoende man, die hem merkwaardigerwijs heel goed blijkt te kennen en hem duidelijk maakt dat hij zijn guru is omdat hij voorbestemd is ingewijd te worden. Dat is voor deze Joseph even vreemd als het voor ieder van ons zou zijn. Maar de oosterse man boezemt hem tot in het diepst van zijn ziel vertrouwen in en deze leert hem op een nieuwe manier zichzelf te beleven en geeft hem inzichten die verder reiken dan zijn katholieke opvoeding.

En nu wordt het voor ons, westerse intellectuele verlichte mensen moeilijk. We moeten als het ware van ons geloof afvallen en ons normale denken opzijschuiven om te accepteren dat wat hierna gebeurt realiteit is en geen product van oosterse oververhitte fantasie. De jongeman is van huis uit katholiek en van nature religieus, maar hij wordt nu geconfronteerd met de harde discipline die in het oosten gebruikelijk is. Joseph volgt zijn innerlijke scholing en wordt trap voor trap ingewijd in steeds hogere geestelijke werelden. Uiteindelijk volgt zijn laatste inwijding. Deze vindt plaats in Griekenland en daarbij krijgt hij zijn definitieve nieuwe naam: Bô Yin Râ.

Omdat zijn boeken vanuit zijn geestelijke inzichten geschreven zijn worden ze uitgegeven onder deze naam: Bô Yin Râ. Een betere antireclame valt niet te verzinnen. Dat is ook voor hem zelf volstrekt duidelijk. Hij verzet zich tegen het idee zich onder deze naam bekend te moeten maken, maar de guru laat hem geen keus. Het blijkt zijn taak te zijn de wereld bekend te maken met het werken van de geestelijke groep waartoe deze guru en dus nu hij ook behoort en hun inzicht te boek te stellen. Alleen al deze merkwaardige naam Bô Yin Râ maakt me huiverig zijn werk in gezelschap te vermelden. Voor je het weet krijg je er een tik van mee. Maar voor mensen als Jan en ik is deze zelfde naam uiteraard heel vertrouwd geworden.

Zijn eerste boekjes publiceert hij als hij rond 1914, dus rond de eerste wereldoorlog in Griekenland een paar jaar door brengt. De rest van zijn leven zal hij het licht schilderen zoals hij het in Griekenland ervaren heeft. Schilderijen die als het ware abstracties zijn van de daar aangetroffen werkelijkheid. Hij trouwt. Hij krijgt een dochter, Devadatti, die dit jaar is overleden en besluit om in Zwitserland te gaan wonen. Na een paar jaar komt hij terecht in Lugano en woont daar in een huis, genoemd Villa Gladiola en leidt er het bestaan van een gerespecteerde burger, een betrekkelijk onbekende schilder zonder al te veel opvallends. In 1943 overlijdt hij er.

Over zijn leven valt dus eigenlijk niet veel bijzonders te melden. Een gewone man, klein gezin, verdient zijn brood als kunstschilder. Van de generatie van Kandinsky, Klee, Franz Marc. Hij kent ook zulke schilders persoonlijk. Misschien is zijn werk nog het meest verwant aan dat van de Zwitser Hodler.

Op geestelijk en religieus gebied verdringen zich tijdens zijn leven allerlei ontwikkelingen die het oude religieuze westerse christelijke denken overspoelen. De theosofische vereniging ontstaat, de antroposofie, de rozenkruizers worden wakker, naturalisme en bloed en bodem theorieën steken de kop op, spiritisme wordt bedreven, - het gewone christelijke leven lijkt niet meer te voldoen. Te midden van dit geweld aan ideeën verschijnen de publicaties van BYR.

Vanaf 1914 dus in heel kleine boekjes, die later worden samengebracht in Het Boek van de Koninklijke Kunst. In dit boek maakt hij duidelijk dat er op deze aarde een groep ‘Stralenden' bestaat die er geweest is vanaf het moment dat er ‘mensen' op deze aarde rondlopen.

Laten we beginnen met de manier waarop we gewend zijn mensen te zien. Sinds de Verlichting is de trend geweest steeds meer van wat onder godsdienst viel uit het denken over de wereld te verwijderen. Ooit maakten de kerk en de staat uit wat je al dan niet mocht denken, zoals het nu nog steeds in tal van oosterse landen het geval is. Dat dit voor velen niet aantrekkelijk is, is duidelijk. En het is dan ook een wonder dat we hier in het Westen zo ver zijn dat ieder vrijelijk zijn mening mag geven. Er zijn taboes, maar we leven in een vrij land. Laten we hopen dat dit duurt.

Met de Verlichting is ook het religieuze gevoelen van mensen laten we zeggen ‘wetenschappelijk' bekeken. En op de duur zijn alle wonderen onderuitgehaald, is de waarheid van de bijbel als woord van god onderuitgehaald, worden religieuze gevoelens zelf als onderwerp van onderzoek begrepen vanuit sociologische en psychische noties.

Wetenschappelijk gezien zijn godsdienst en religiositeit eigenlijk overwonnen begrippen. De mens is met het huidige wetenschappelijke begrippenapparaat te begrijpen zoals we verwante dieren op aarde begrijpen, maar dan met een vernis van intellect en cultuur. Er blijft natuurlijk tegelijkertijd terzijde een lijn van denken en geloven die weet heeft of meent te hebben van iets onzichtbaars, iets onmeetbaars, die zich vanaf Plato tot nu voortzet.

Nu, als we BYR lezen komen we een van die dwarse inzichten van religieuze zijde tegen die ervan uitgaat dat het anders ligt. In zijn werk benadrukt BYR dat ieder mens uit twee ineen verknoopte delen bestaat, een deel dat geestelijk is en een deel dat aards is.

Over het aardse deel hoeven we het eigenlijk niet te hebben. Dat maken we dagelijks mee als ons eigen lichaam en we merken het in uitingen van de hoogste vreugde tot de laagste menselijke instincten. Als we naar mensen kijken en het over mensen hebben gaat het over deze aardse mens, die hier geboren wordt en te zijner tijd sterft.

Het geestelijke deel is lastiger, omdat het niet van deze wereld is. Omdat er zelfs een soort verzet opduikt vanuit ons in de wereld zijn om te accepteren dat er iets zou zijn dat er niet toe behoort. Het is vroeger als een verhaal onder woorden gebracht: de mens is uit een harmonieus paradijs verdreven in een wereld die vaak weinig uitstaande heeft met de harmonie die hij voor zich verlangt. Het is het oude verhaal van Adam en Eva, zoals het bij de Sumeriërs onder woorden is gebracht, maar dan toegepast op ieder mens afzonderlijk. Ieder mens is uit zijn paradijs verdreven. Maar in ieder mens is nog een herinnering aan wat hij ooit was in die geestelijke wereld, een mens wil ook niet alleen maar gezien worden als het dier wat hij hier op aarde is.

Ieder mens zoekt waardering om zijn menszijn, wil ‘respect' , is in discussie met iets als een geweten, heeft het gevoel dat hij meer is als dat sterfelijke stukje voorbijgaan dat zo op het oog een mensenleven is. Tegelijkertijd is het niet van deze tijd hiervoor andere dan psychologische en sociologische verklaringen te vinden. En omdat veel in het wonderbaarlijk mooie en ingewikkelde dierzijn mogelijk is voldoen theorieën vaak wonderwel.

Iedereen weet dat je de gebeurtenissen uit je prilste kinderjaren vergeet.

Qua herinnering zou je die jaren net zo goed niet geleefd kunnen hebben en tegelijkertijd blijken ze van heel groot belang voor je functioneren in de rest van je leven. Daarmee is het geestelijke vaag vergelijkbaar: hoewel haast vergeten is het geestelijke van de mens het blijvende, het is zijn individualiteit niet alleen op aarde maar in alle geestelijke werelden die volgens deze religieuze opvatting bestaan.

Misschien komt het wat abrupt over. De éne mens ervaart het niet van deze wereld zijn gemakkelijker dan de andere. Maar met de ogen van BYR, en vele anderen trouwens, kijkend, is de mens een eeuwige geest die uit de luister van het eeuwige valt in een dier van de wereld, waarin hij eigenlijk helemaal niet thuis hoort en die na zijn dood een hiernamaals beleeft als dezelfde geest, maar nu met de ervaring van een aardse onderdompeling. In alle religies zijn deze uitgangspunten aanwezig. Reïncarnatie, de maagden die je opwachten, talloze voorstellingen van een leven na dit leven doen opgeld. Zulke voorstellingen kunnen ten goede of ten kwade sturing geven aan het leven van een mens op aarde.

Om de leer van BYR te begrijpen moeten we ervan uitgaan dat er een ‘Gene zijde' is.

Een tweede daarmee samenhangend inzicht wat noodzakelijk is om hem te lezen is het inzicht dat die geestelijke mens in dit dierlijke lichaam bijna oneindig ver van zijn oorsprong verwijderd is. Dat is de val. De mensengeest duikelt als het ware in een steeds grotere sneltreinvaart naar steeds lagere geestelijke werelden tot hij niet meer te stoppen is en als laatste redding een mensdier van de aarde aangeboden krijgt. Ook dit valt helemaal bezijden de huidige verlichte wetenschap en zodra ik me in het huidige westerse denken verplaats heb ik het er moeilijk mee. Maar als ik tot mezelf inkeer komt het me vanzelfsprekend voor. Beetje vreemd dus.
De bedoeling, het diepste streven van de mens is om weer naar die hemelse oorsprong terug te keren. Een mens is dus niet zomaar en per ongeluk op aarde. Een mens en daarmee bedoel ik dan de eeuwige mens is hier om met de krachten van het dier zo om te gaan dat het hem de mogelijkheid biedt om weer naar hoger sferen terug te keren.

Nu is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Kijk naar de aarde en de mensen en je wordt niet erg vrolijk. Het is een kunst om te overleven op deze wereld en op dit moment hebben we het hier in het westen aardig onder de knie naar het schijnt, maar we hebben geen hemel op aarde.

Een zo mogelijk nog merkwaardiger punt wat BYR in alle duidelijkheid naar voren brengt is dat de mens te ver gevallen is om op eigen kracht weer de weg terug te kunnen gaan. Dat is naar zijn inzicht een illusie. Om de weg terug te vinden moet je gebruik maken van de hulplijn die vanuit het eeuwige is gevormd.
Die hulplijn bestaat uit mensengeesten die vanuit het hart van de godheid reiken tot in een beperkt aantal mensen die op aarde aanwezig zijn. In de woorden van BYR behoren ze tot de ‘Stralenden van het Oerlicht'. Een nogal pompeuze naam. Niet van deze tijd.
Deze mensen hebben als taak het contact met het eeuwig geestelijke levend te houden. En daar lopen er op deze wereld een stuk of wat van rond. Mensen als ieder ander, maar met een directe toegang tot de geestelijke werelden. Stralenden van het Oerlicht.

Het zal geen verbazing wekken dat BYR van zichzelf beweert dat hij tot deze groep behoort.

Hij heeft er naar zeggen overigens helemaal geen aardigheid in om zichzelf op die manier aan de wereld kenbaar te maken. Maar tot zijn taak als Stralende behoort het onomwonden duidelijk maken hoe de geestelijke en de aardse wereld in elkaar grijpen als een soort ervaringsdeskundige. De tijd is daar rijp voor en het is ook nodig blijkbaar.

Nu, dit zijn van die dingen waar je met grote ogen naar kunt kijken. Het valt in ieder geval buiten bereik van huidige wetenschapsdomeinen en behoort ook niet tot de kennis van religies, althans niet in deze vorm.

En waarom zou je het geloven?

Nu, de reden waarom mensen als Jan en ik er geloof aan hechten is omdat wat BYR in zijn geschriften schrijft zo uiterst betrouwbaar, vanzelfsprekend en ongekunsteld overkomt. Tegelijkertijd met een zekerheid die niet van deze tijd is. Mensen als wij worden in het eeuwige aan ons of door het eeuwige in ons aangesproken als we zijn werk lezen. Alsof de dingen op een heel vanzelfsprekende manier op hun plaats vallen. Alsof uiteindelijk alles van een wonderbaarlijke eenvoud is. Ja, ik ben helemaal overtuigd. Maar wel op een volstrekt ander niveau dan mijn betrekkelijk wetenschappelijk westerse denken. Vandaar dat ik hier zit.

Even recapituleren: De mens is dus een soort dubbelwezen Dier en geest, waarbij de geest blijvend is. De bedoeling is dat de mens het eeuwige weer weet terug te vinden met de dramatische val als dieptepunt, zodat zijn bewustzijn als het ware op een gelukkige manier vergroot is. Om de weg terug te vinden zijn er de Stralenden, waarvan de groep hier op aarde net als wij met een dier verenigd is.

Het ziet er wellicht raar uit. Maar voor mij is het een ongekende rijkdom dat mijn leven niet zomaar een wegwerpartikel is tussen de miljoenen andere levens, maar net als van ieder ander rijkt in een ander gebied, zodat het zin heeft en betekenis voor een toekomst die verder rijkt dan de dood.

Voor mij zijn dus deze inzichten alleen al een bron van geluk. Maar essentieel in de boeken van BYR zijn de wegen die hij toont om inzicht te krijgen in de dingen die hier op aarde van het eeuwige doorklinken en vooral ook wat manieren zijn om weer iets in jezelf te ontdekken van dat geestelijke dat in je leeft.

Wat is de essentie van zijn leer.

De essentie is dat er maar een manier is om weer het eeuwige in jezelf te ervaren en daarmee dit leven de moeite waard te maken en dat is de weg tot inkeer naar je diepste zelf. Dat is een nogal eenzaam proces, dat geen vereniging of cultus nodig heeft en dat leidt tot een ervaren van de grote rijkdom die een mens in het eeuwige bezit.

In een aards lichaam is een mens als het ware blind voor de rijkdom die hij geestelijk bezit en hij moet leren luisteren naar iets in zichzelf dat daar weet van heeft. In principe is dit de grondtoon van alle religie, maar meestal wordt het weggedrukt door belang van mysterie en magie en allerlei wonderlijks in het uiterlijke. De mensen rond Jezus bijvoorbeeld wilden wonderen, liever dan ze zich zouden bekeren .

En zo zitten we in elkaar, we zijn nieuwsgierig, willen liefst alles weten, willen alles meemaken. Voor het circus staan we in de rij. We verdrinken in ons werk of in ons sociale leven, druk, druk, druk. Zo is dat en dat is niet altijd anders als je BYR leest.

Het allerbelangrijkste wat hij wil zeggen is dat het de moeite waard is naar binnen te luisteren, zonder meer, zonder buiten, zonder trainers, zonder bijzondere oefeningen met liefde luisteren naar dat wat je jezelf zou kunnen noemen. Omdat dat de weg is naar je ware geestelijke menszijn, stralend in een licht dat niet van de wereld is. Nu is deze weg moeilijk, vereist inspanning in de zin van een voortdurend innerlijk bewustzijn dat er op gericht is deze instelling te behouden.

Ik denk dat ieder mens van die momenten in zijn leven heeft of meemaakt dat hij als het ware even buiten de normale patronen belandt, zich op een andere vrijere manier ervaart, alsof er ergens een leven zou bestaan wat niet gebonden is aan de regels die deze wereld stelt. Dan heb ik het over de momenten waarbij je jezelf eenvoudig voelt worden, vanzelfsprekend, stil. Onthecht eigenlijk, dus los van de wereld. Verbaasd een beetje dat je er bent.

Het is nogal lastig om duidelijk te maken waar het begin is, omdat je het niet kunt aanwijzen. Je moet het beleven en beleven is voor ieder anders.

De Stralenden verbinden dus het eeuwig geestelijke met de aarde. Als je leert om diep in jezelf te luisteren maak je weer verbinding met het geestelijke. Je hoeft niet eens te weten dat het zo gaat. Als je doet wat in overeenstemming is met de wetten die er voor gelden dan lukt het. Vandaar dat het eigenlijk irrelevant is of je het via een godsdienst bereikt of los daarvan.

De wegen waarlangs je weer ervaring van het geestelijke kunt krijgen zijn vele, maar alle hebben ze te maken met diepe eenzaamheid met jezelf tot uiteindelijk licht verschijnt dat anders dan dat van alledag is. In ieder geval leidt het tot een steeds grotere eenvoud van de werkelijkheid. Zolang je hersens zwaarder belast raken ben je zeker op een weg die niet tot dit doel leidt.

Wegen die BYR noemt zijn de weg van het geluk, van de liefde, van geloven, van overwinnen van alle doodsangst, van gebed, van het levend maken van woorden, van taal en zo meer. Welke weg iemand kiest hangt van zijn voorkeur af. Ieder mens is verschillend, zo is dat ooit in het leven geroepen

Geen idee welke weg of wegen Jan Wessendorp zich eigen maakt. Maar onderweg voel je in jezelf klaarheid ontstaan en liefde en als je zoals Jan scheppend kunstenaar bent, de behoefte om de beelden die bij je ontstaan wakker te laten worden in deze wereld.

Dat is wat vanouds inspiratie wordt genoemd: inblazingen van de Geest, de Geest die levend maakt, maar waarvoor je wel open moet willen staan.

Wij zijn ieder voor zich op dit moment hier in een aards vergankelijk lichaam, Tegelijkertijd, nu dus hebben we een geestelijk lichaam waar we ons gewoonlijk niet of maar af en toe van bewust zijn. Maar als je stil wordt kun je diep in jezelf beluisteren wat je van eeuwigheid bent. Dat is een ervaring die echt de moeite waard is.

Deze ervaring wordt bijvoorbeeld wakker gemaakt door het werk van BYR.

We zijn gevangen in ons lichaam, gehoorzamen eraan met al onze gevoelens en ontdekken pas in een hiernamaals hoe dwaas het was ons zo te hechten. Tegelijk is het lichaam een kostbaar geschenk, omdat het de mogelijkheid biedt de weg terug te gaan. Het is goed om altijd bereid te zijn om dit eigenlijk korte aardse leven met vreugde en als een in liefde gegeven geschenk te beleven.

Ik wens ieder een zeer onthecht leven toe met de vanzelfsprekendheid van wat de oude chinees Lao Tze ‘Wu Wei' noemde : ‘Niet handelen' oftewel gehoorzamen aan de uiteindelijke vanzelfsprekendheid en eenvoud van alle gebeuren.

Tenslotte een paar regels van Jan Wessendorp zelf:

Mens in mij

Ik geef u oor en mond
En huid en hand
Om u in deze wereld te vertalen
De daden die ik stellen wil,
Zijn uw woorden, die mij bepalen

 

<beginpagina